Home Gezin & Kinderen Liefhebben en hechting

Liefhebben en hechting

Door Saskia Beugel

John Bowlby (1907-1990), de Britse psychiater, die zelf opgevoed was door kindermeisjes en op kostscholen, ontdekte door zijn werk met emotioneel onaangepaste kinderen en zijn onderzoek naar Europese wezen na de Tweede Wereldoorlog dat er zoiets bestaat als ’emotionele uitdroging’.

Hechtingspatronen

Samen met Mary Ainsworth schiepen zij de beroemd geworden onderzoekssituatie van het kind dat eerst met moeder in een kamer is, dan met moeder en een vreemde, dan gaat moeder weg en komt vervolgens terug. Er komen dan verschillende hechtingspatronen naar voren:

  • Veilig gehecht: het kind zoekt moeder op na de verlating maar gaat direct erna door met spelen, het kind laat zich gerust stellen door moeder.
  • Vermijdend gehecht: het kind reageert nauwelijks op vertrek moeder en zoekt geen toenadering bij haar terugkeer, is bang om afgewezen te worden.
  • Ambivalent gehecht: Het kind stopt met spelen wanneer moeder de kamer verlaat en reageert heftig wanneer moeder weer terugkomt. Hij wijst moeder af en laat zich moeilijk troosten.
  • Gedesorganiseerd gehecht: het kind reageert heftig maar op uiteenlopende wijzen en er lijkt een strategie te ontbreken.

Voor Bowlby en aanhangers stond het vast: kinderen hebben absoluut behoefte aan veilige, langdurige, fysieke en emotionele intimiteit om uit te groeien tot evenwichtige volwassenen. Wanneer er sprake is van veilige ouders, ouders die reageren op de noden van hun kinderen, dan is het gevoel wat kinderen over zichzelf ontwikkelen, dat zij oké zijn. Zij kunnen vertrouwen opbouwen wat zich kan uitbreiden van de contacten met de ouders naar contacten met anderen. Later is er onderzoek op gang gekomen naar hechting tussen volwassenen en naar wat vroege hechting in de jeugdjaren te maken heeft met het hebben van stabiele liefdesrelaties als volwassenen (Hazan en Shaver). Uit dit onderzoek bleek dat volwassenen aangaven behoefte te hebben aan emotionele nabijheid van hun geliefde, dat het hen zelfvertrouwen gaf wanneer hun partner hen emotioneel tot steun was. Wanneer er onzekerheid optrad dan bleven ze afstandelijker.

Hechting en psychologische ontwikkeling 

Hechting speelt dus een belangrijke rol in een gezonde psychologische ontwikkeling van het kind. Een veilige affectieve band biedt het jonge kind bescherming; onveilige hechting vergroot de kans op ontsporingen. Hechtingspatronen en hun mentale representaties, welke in de vroege kindertijd gevormd worden, blijken tot op volwassen leeftijd van doorslaggevende betekenis in intieme relaties. De ontwikkeling van hechting begint prenataal en er kunnen vier basispatronen onderscheiden worden. Hechting kan omschreven worden als het aangaan van een duurzame affectieve band met een hechtingsfiguur, waarbij deze laatste instaat voor de emotionele veiligheid en geborgenheid van de hechtingzoekende. Meestal wordt bij hechting gedacht aan kleine kinderen, die hun emotionele zekerheid zoeken bij hun ouders. Hechting begint echter vroeger en is bovendien van alle leeftijden. Hechtingspatronen ontwikkelen zich in de vroege (prenatale) kindertijd en vertonen een hardnekkig karakter.

Hechtingsproblematiek

Hechtingsproblematiek wordt o.a. in contact gebracht met contact- en relatiestoornisssen, aandachts- en leerstoornissen (ADHD), depressiviteit, angst- en stemmingsstoornissen in verband gebracht met een verstoorde hechting. Ook de meer ernstige psychische problematiek, zoals borderline, anorexia en automutilatie worden in verband gebracht met vroege hechtingsstoornissen. Hechting beschermt de psychische gezondheid; onthechting vormt een risico. Met name het positief leren omgaan met de eigen gevoelens en het leren hanteren van deze gevoelens in relatie tot anderen wordt gezien als een belangrijke factor voor een gezonde psychische ontwikkeling. De ervaringen met zijn moeder vormen de basis voor een mentale representatie van deze relatie, die op zijn beurt de basis zal vormen voor alle verdere relatiepatronen. De beschrijving van de vier hechtingspatronen is gebaseerd op onder andere: Van IJzendoorn (1994). In het veilige hechtingspatroon zoekt het kind, in geval van nood, steun en troost bij de ouder, om daarna weer over te gaan tot zelfstandig exploratief gedrag. Doordat de moeder sensitief heeft gereageerd op de stresssignalen van het kind, vindt het kind voldoende veiligheid om opnieuw de wereld in te stappen. De moeder functioneert door haar beschikbaarheid, haar sensitiviteit en responsiviteit als een veilige thuisbasis. Veilig gehechte kinderen worden veelal autonoom gehechte volwassenen, die in intieme relaties een gezond evenwicht vertonen tussen betrokkenheid op de partner en ruimte voor zichzelf. Deze volwassenen erkennen het belang van vroegere relaties in hun persoonlijke ontwikkeling. Ze hebben een gebalanceerde en inlevende kijk op zichzelf en op hun ouders; ze hebben een rijk gevoelsleven, zijn helder en coherent. In het angstig-vermijdende hechtingspatroon zoekt het kind geen troost en steun bij de moeder, maar blijft het zich bij gevaar richten op de omgeving. Deze kinderen gedragen zich alsof ze niet geraakt worden door de scheiding of de bedreigende situatie, en het lijkt alsof ze onverstoord doorgaan met hun exploratief gedrag; dit gedrag is vaak wel meer ongericht, doellozer. Fysiologische metingen van hun stress tonen echter aan dat ze wel degelijk angstig zijn, maar ze proberen hun stressreacties zoveel mogelijk zelf te reguleren en tonen ze zeker niet aan de omgeving. Het is een vorm van onthechting. Ze lijken onverschillig en worden vaak, ten onrechte tot ‘makkelijke kinderen’ bestempeld. In werkelijkheid is het een vorm van zelfbescherming tegen de pijn van de afwijzing die het contact met de moeder oproept; het is een overlevingsstrategie die gebaseerd is op de ervaring van een gebrek aan beschikbaarheid, aan veilige hechting. Het kind heeft een mentale representatie opgebouwd van onbereikbare ouders. Bij volwassenen staat een sterke gereserveerdheid en afstandelijkheid centraal. Zij minimaliseren of ontkennen de effecten van vroegere ervaringen en ze hebben een slecht geheugen voor persoonlijke ervaringen. Ze hebben de neiging om ouders te idealiseren; zij leggen de nadruk op persoonlijke kracht; hun gevoelens houden ze veelal op afstand en ze benadrukken emotionele onafhankelijkheid. Angstig-ambivalent gehechte kinderen reageren heel sterk op scheiding en dreiging en ze zoeken wel contact met hun hechtingsfiguur, maar zijn boos en moeilijk te troosten. Ze klampen zich enerzijds vast aan hun moeder, maar anderzijds weren ze haar ook teleurgesteld af. Ze blijven lange tijd emotioneel ontregeld en houden de hechtingsfiguur voortdurend in de gaten. Vanuit hun onveiligheid blijven ze zich aanklampen aan de hechtingsfiguur, wat ten koste gaat van het exploratief gedrag. Deze kinderen kunnen de moeder niet loslaten, maar kunnen haar troost en steun ook niet toelaten. Deze kinderen ontwikkelen zich vaak tot gepreoccupeerde volwassenen. In intieme relaties hebben ze de neiging de partner te verstikken in een versmeltende relatie. Zij overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen, komen moeilijk los van hun ouders, waarop ze nog steeds boos kunnen zijn of die ze nog steeds willen behagen. Hun vertrouwen in de eigen mogelijkheden is beperkt; ze zijn hyperalert voor tekenen van steun, acceptatie, goedkeuring, dan wel afwijzing. De vierde groep is  gedesorganiseerde hechting. Hierbij is het kind niet in staat om op scheiding of dreiging adequaat te reageren. Er is sprake van een ineenstorting van de gedragsmatige strategieën om met stress om te gaan. Deze kinderen vertonen vaak een chaotisch gedrag. Ze lijken overspoeld te worden door emoties die ze niet kunnen hanteren. Ze wisselen voortdurend van strategie, waardoor hun gedrag vaak doelloos en tegenstrijdig lijkt. De gedesoriënteerde volwassenen vertonen een ongeloof in de realiteit van vroegere gebeurtenissen; bij hen kunnen tijdelijke bewustzijnsveranderingen worden waargenomen en lijkt het vermogen tot logisch redeneren verstoord; ze raken in verwarring als het thema van verlies en scheiding wordt aangeraakt; deze groep wordt vaak geassocieerd met borderline problematiek.

Hechting en nieuwe relatie

Het is duidelijk dat er een verband bestaat tussen de ervaringen van het kind in relatie tot zijn hechtingsfiguren én het volwassen patroon van hechtingsrelaties.  Bedenk bij het aangaan van een nieuwe relatie in ieder geval altijd het volgende:  ‘ik wil liefhebben en ik weet dat ik dan weer opnieuw risico moet nemen’ Meer lezen: www.itsjusttherapy.com, http://www.stroeckenverdult.be, www.taalzondergrenzen.nl, 

Leave a Comment