Home Bewustzijn Verslag van een bijna-doodervaring

Verslag van een bijna-doodervaring

Door redacteur

Verslag van een bijna-doodervaring: ‘Op 23 september 1978 krijg ik de eerste weeën. Op dat moment ben ik negen maanden zwanger van wat later zou blijken onze tweede dochter. De hele zwangerschap is volgens het boekje verlopen. Na enige tijd gaan mijn man en ik samen met de verloskundige naar het ziekenhuis. Ik word naar de verloskamer gereden. Regelmatig wordt er door de verloskundige geluisterd door de grote houten toeter. De vliezen worden gebroken. Het wordt heel stil op de verloskamer. Iedereen loopt door elkaar heen, er wordt snel en zacht met elkaar gesproken. Op mijn vraag wat er aan de hand is, krijgen noch ik, noch mijn man een antwoord. De weeën vallen weg, maar ik voel me goed.

Paniek

Ondertussen is ook de gynaecoloog erbij gekomen en nog meer verplegend personeel. Wij weten niets. Er wordt mij gezegd te gaan persen. “Ik heb geen persweeën!” Dat is niet aan de orde. Er wordt gerammeld met tangen, scharen, bakjes, doeken. Mijn man gaat onderuit, wordt de verloskamer uitgetrokken en op de gang neergelegd. Ineens merk ik dat ik vanboven af naar een vrouw kijk die op een bed ligt met haar benen in de steunen. Ik zie paniek bij de verplegers en doktoren, ik zie veel bloed op het bed en op de grond, ik zie dat er met grote handen heel hard op de buik van de vrouw wordt gedrukt, en dan zie ik dat er een kind wordt geboren uit de vrouw. Het kind wordt direct meegenomen naar een andere kamer. Er is verslagenheid bij de verplegers. Iedereen wacht af.

Paradijs

Mijn hoofd valt met een harde klap naar achteren als het hoofdkussen met een vaart wordt weggehaald. En weer zie ik grote drukte. Ik schiet pijlsnel door een donkere tunnel. Er overstroomt mij een groot vredig, gelukzalig gevoel. Ik voel me intens tevreden, gelukkig, stil en vredig. Ik hoor prachtige muziek. Ik zie mooie kleuren en prachtige bloemen in alle mogelijke kleuren in een grote weide. Aan het eind is een mooi, helder, warm licht. Daar moet ik naar toe. Ik zie een wezen, in een licht gewaad. Het wezen wacht op mij en steekt haar hand uit. Ik voel me warm en liefdevol opgewacht. We gaan hand in hand op weg naar het mooie en warme licht. Dan laat ze mijn hand los en draait ze zich om. Ik voel me teruggezogen. Ik moet terug. Ik merk dat een verpleegster hard op mijn wangen slaat en mij roept.

Na de bijna-doodervaring: terug in de ‘echte wereld’

Na enige tijd (?) weet ik waar ik ben en weet ik ook dat het met mijn kind niet goed is. Onze dochter leeft niet (meer). Wat doet deze terugkeer mij pijn! En wat wil ik graag terug naar… ja naar waar? Deze wereld gaat door. De medische oorzaak van mijn bijna-doodervaring is het bloedverlies dat tijdens de bevalling is opgetreden. Dat bloedverlies is in eerste instantie niet opgemerkt of onvoldoende opgemerkt door het verplegend personeel. Waarschijnlijk was iedereen gericht op het baren van het kind. Pas op het laatste moment worden er maatregelen getroffen door het kussen onder mijn hoofd vandaan te trekken, mij van bloed te voorzien en… Dat heb ik allemaal niet meer gezien. Ik was toen al in het paradijselijke paradijs.

Eenmaal teruggekeerd uit die mooie wereld, uit deze mooie ervaring, was de ontvangst hier in deze wereld koud, kil en vooral liefdeloos. De verplegende aan wie ik probeerde te vertellen wat ik voor moois had meegemaakt, deed dit af met de mededeling dat ik weldra nog wat medicijnen zou krijgen, zodat ik lekker kon gaan slapen en dat het dan wel over zou zijn?! Voorbij? Over? Dat wilde ik helemaal niet. Ik wilde het juist niet over, niet voorbij. Ik wilde ernaar terug. De gynaecoloog meldde mij dat ik nog jong was, dat ik nog genoeg kinderen zou kunnen krijgen en dat ik gewoon verder moest en maar vooruit moest denken.

Wie wil mijn bijna-doodervaring horen?

Ik hield op mijn verhaal te vertellen. Ik vond het al zo moeilijk om woorden te vinden voor mijn ervaring, hoe konden woorden aangeven wat ik had ervaren? Maar wat dan? Waar kon ik mijn verhaal dan wel kwijt? Wat was er met mij aan de hand? Was ik gek geworden? De enige aan wie ik mijn verhaal tot vervelens toe mocht vertellen was mijn echtgenoot. Hij luisterde, stelde vragen, maar wist zelf ook niet wat ik nu had meegemaakt en wat ik ermee moest en hoe het heette, en of ik de enige was met zo’n ervaring. Wat ben ik daar toen en ook nu nog blij mee. Dat hij zo kon luisteren.

Mijn bijna-doodervaring heeft niet mijn relatie op het spel gezet. En ik weet nu dat zoiets heel kostbaar is. Over onvoorwaardelijke liefde gesproken! Maar het voelde wel alsof ik de enige was die zoiets had meegemaakt. Niemand in deze wereld die iets aan mij vroeg, iets wilde weten. Nu was dat in mijn geval ook moeilijker, want hoe moet je reageren als je een geboortekaartje verwacht en er komt een rouwkaart? Dat is voor veel mensen al moeilijk, laat staan dat een ervaring zoals die ik had meegemaakt, gehoord kon worden.

Robot

Ik leefde in die tijd als een robot. Ik zorgde wel voor mijn man en onze eerste dochter, liet de hond uit, maar ik was er niet bij. Ik was bij mijn ervaring. Hoe kon ik daar weer komen? Waar kon ik zulke mooie muziek horen, zulke mooie kleuren zien, zulke mooie bloemen vinden, zulk mooi licht zien, zoveel onvoorwaardelijke liefde ervaren? En was ik dan gek dat ik zo dacht? Wat was er met mij aan de hand? In mijn eigen afstudeerscriptie schrijf ik als belangrijke aanbeveling voor hulpverleners: ‘Had ik maar één procent mogen ontvangen van al deze raadgevingen zoals die tegenwoordig in boeken en artikelen over bijna-doodervaring terug te vinden zijn, ik zou er zo dankbaar voor zijn geweest!’

In 1978 was de hulpverlening blijkbaar nog niet zo op peil als nu, maar behalve gewone verpleegkundigen, de gynaecoloog en de verloskundige heb ik niemand gezien. De huisarts is niet geweest, ook niet na enige weken. Hij heeft geen contact met me opgenomen. Nam hij aan dat alles goed ging met mij? Ik ging ook niet naar hem toe, want wat moest ik hem vertellen? Ik had de conclusie getrokken dat mijn ervaring niet normaal was en dat je er maar beter over kon zwijgen. De controle bij de gynaecoloog verliep gewoon. Mechanisch zat ik nog goed in elkaar en dat was voldoende. Er werd niet verder gevraagd. En ik zweeg.

Zwijgen en doorgaan

Ik heb jaren in zwijgen en zoeken geleefd. En als ik dan eindelijk in de bibliotheek een boek vind waarin geschreven wordt over een bijna-doodervaring, dan is het voor mij niet voor te stellen dat ik zo’n ervaring heb meegemaakt. Dat kon toch niet? Ik geloofde mezelf ook niet meer. Slechts heel, heel langzaam durfde en kon ik mezelf gaan geloven, mijn ervaring voor echt aannemen, en kon ik gaan accepteren en integreren.

Dat was niet gemakkelijk. Ik had in de loop van de jaren een aardige overlevingsstrategie ontwikkeld, of beter gezegd: een vluchtstrategie. Vluchten voor mijn gevoelens, vluchten voor mijzelf. Ik ben steeds meer werk op me gaan nemen. Daarnaast ging ik zeer fanatiek sporten, hardlopen nog wel. Hoe symbolisch! Ik liep immers weg van mijzelf en van mijn bijna-doodervaring? Dat ging in de eerste tijd nog goed, ook volgens de begrippen van deze wereld: ik stond nogal eens als overwinnaar met bloemen in mijn handen, maar ook dat waren niet de bloemen waarnaar ik op zoek was.

Ik kreeg steeds meer moeite met de mening van anderen, van collega’s. Ik kwam steeds meer in conflict met mijzelf, met wat mijn gevoel zei en met wat ik wist. Het ging allemaal steeds moeilijker. Mijn lichaam greep in. Via overwerkt, overspannen, naar mijn gevoel opgebrand te zijn, werd het een depressie. Ik kwam onder behandeling bij een homeopathisch werkende psycholoog. Toeval bestaat immers niet. Hij is de eerste hulpverlener die luistert naar mijn verhaal, naar mijn ervaring. Hij houdt het ook voor waar en vindt het gewoon! Maar dat is dan inmiddels ruim twintig jaar na mijn bijna-doodervaring!

Eindelijk een luisterend oor voor mijn bijna-doodervaring

Hij raadt me aan mijn ervaring te tekenen, op te schrijven, in ieder geval ermee bezig te zijn. Met hem heb ik een boeiende reis in mijzelf gemaakt. Alles wordt geaccepteerd en is gewoon. Ik ontdek dat ik niet gek ben maar dat ik veranderd ben door mijn bijna-doodervaring. Daarom is mijn angst voor de dood totaal verdwenen. Wat een verschil met de jaren vóór mijn bijna-doodervaring, jaren waarin ik heb geworsteld met de dood en met angst voor de dood.

Daarom heb ik moeite met het begrip tijd. De tijd ben ik nu altijd kwijt, in tegenstelling tot daarvoor, toen ik met de klok leefde. Daarom is materialisme niet belangrijk voor mij. Daarom telt voor mij alleen onvoorwaardelijke liefde. En die had en heb ik bij mijn man. En toch las ik weer onlangs in een studie dat er bij de mensen geen onvoorwaardelijke liefde kon zijn. En mij willen ze niet geloven! Daarom voel ik mezelf soms een buitenstaander. Daarom ben ik, meestal in vakanties, zo op zoek naar landschappen, naar kleuren en bloemen die ik gezien heb en maar niet terug kan vinden. Daarom kan ik slecht tegen ruzie, ik wil naar die vredige omgeving. Ik kan ook geen ruziemaken.

Acceptatie

Nu, nu ik mijn reis in mijzelf heb gemaakt tot waar ik op dit moment ben gekomen, ben ik blij met mijn bijna-doodervaring. Ik accepteer die als iets moois dat ik heb mogen ervaren, dat mij rust geeft, die mij mijzelf laat zijn, inclusief mijn ervaring. Het is goed nu te leven, met mijn ervaring. Door mijn bijna-doodervaring te integreren wordt deze wereld alleen maar beter. Pas vanaf de tijd dat ik mijn bijna-doodervaring begon te accepteren en te integreren kan ik weer een beetje blij zijn met het leven hier. Mijn gedachten en gevoelens zijn toch relevant, ze zijn niet raar of gek; ze zijn nodig om door de wirwar heen bij mijn eigen identiteit te komen en niet bij die van de massa.

Het betekent wel dat er nog een taak voor mij ligt om de bijna-doodervaring verder bekend te laten worden bij de mensen, en dan vooral bij hulpverleners. Uit mijn eigen kleine onderzoek bij huisartsen in mijn woonplaats is tot mijn teleurstelling gebleken dat velen van hen nog steeds niet weten hoe te handelen als iemand een bijna-doodervaring heeft gehad. Maar het belangrijkste voor mij is nu dat ik mag zijn wie ik ben, met mijn ervaringen. Ik ben wie ik ben, niet meer, maar ook niet minder! En dat is goed.’   E.M.

bron: Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn, een wetenschappelijke visie op de bijna-dood ervaring

1 comment

Avatar
Peter 11 mei 2018 - 23:26

Hoi mijn naam is Peter gielissen en mijn b d e is heel erg vergelijkbaar met de betrekking van dat stralend witte licht en de vrouwelijke gedaante die haar hand uitstak en we samen naar het licht liepen of zweefden .
Ook dat intens gelukzalig gevoel is bijzonder .ik was toen nog jong maar ben nu bijna 50 en is tot nu toe eenmalig en denk ook dat er meer is .

Reply

Leave a Comment