Home Geen categorie Een zachte dood

Een zachte dood

Door Jultsje

Van Feike hoorde ik dat ús beppe geen trek meer heeft. Beppe ligt op bed. Bente, Feike en ik zitten naast haar. Ik pak haar hand en voel haar pols. ‘Der is in tiid fan kommen en in tiid fan gean’, zegt ze zachtjes, ‘God sil my útrêde’. ‘Mei God dy hoedzje ús leave beppe’, ik voel een zwak kneepje in mijn hand. Feike en Bente blijven bij oma in de buurt en Bente zal met de dokter overleggen als ze pijn krijgt. Rebecca en haar opa vinden eigenlijk dat de dokter meteen moet langskomen, maar dringen hun mening niet aan ons op. ‘Jeltske?’ ‘ Ja opa?’ ‘Mag ik hardop nadenken over wat ik allemaal zie hier? Ik zie veel losse dingen en die heb ik op een rijtje gezet en toen waren het opeens geen losse dingen meer, ik zag allerlei verbanden en mogelijkheden.’ ‘Nu moeten we oppassen Sjikse, als opa verbanden ziet, nou dat heb ik geweten maar ondertussen hebben we elkaar wel daardoor gevonden’, lachte Rebecca. ‘Omdat ús beppe ons gaat verlaten, verandert de situatie’, zeg ik. ‘Ja Jeltske en daarom is er volgens mij een urgentie. Zal ik eerst zeggen wat ik allemaal zie? ‘Dat kan wel even duren hoor!’, grinnikt Rebecca. Het is een zwoele avond en in de ijskast staat een fles wijn van laat geoogste sauvignon koud waarvan ik vermoed dat ús Sjikse die lekker vindt en ook nog andere lekkere dingen zoals een groot stuk Tynjetaler en toastjes en misschien is het goed als Rintske, Eefke en Bente ook meeluisteren en meedenken?’ ‘Hebben jullie samen soms iets bekokstoofd?’, vraag ik. ‘Nou dat ook weer niet, maar we horen allemaal wel een beetje bij elkaar, toch?’ ‘Zeker weten’, ik stuur ze een berichtje. Het lijkt me wel supergezellig zo bij elkaar in ús húske fan hâld-oan!’ Ik vond het een goed idee van Rebecca om de anderen er bij te betrekken. Ik voelde me op me gemak al was er de treurige achtergrond van beppe. Ze worstelde niet was mijn stellige indruk, ze berustte op een waardige manier, zoals ik haar kende. Rebecca ziet mijn vochtige ogen, haar warme betrokkenheid ontroert me nog meer. ‘We gaan alvast de spulletjes halen’, zegt ze. Ik voel haar armen om me heen, ik huil. ’t Is niet alleen van verdriet, het zijn allerlei emoties door elkaar. Ik druk Rebecca’s lichaam tegen me aan en laat me helemaal gaan. Met natte wangen slaak ik een diepe, snikkende zucht van verlichting. Rebecca dept met een verkoelend washandje mijn gezicht en mijn hals. Zonder iets te zeggen zetten we de wijn, toastjes en kaas met wat bordjes op het dienblad. Ik hoor in de verte al de stemmen van Rints, Eeef en Bente. ‘Pake had niet veel op met de zomertijd, maar de lange avond komt ons nu wel goed te pas’, zeg ik tegen Rebecca. Als eerste schenkt ze mijn glas vol. Ik ruik de voorjaarsfrisse gekonfijt fruitige zoetigheid van de wijn. ‘Ik zet de fles weer in de koelkast’, zeg ik. ‘Deze moet je echt niet lauw drinken!’ We toasten onder het gekwetter en geritsel van de vogels in hun voorjaarsspits. Het is een wonderlijke setting. En hoe Rintske naar Eefke kijkt… verliefde vrouwen zijn makkelijk te herkennen! Ik proef de wijn en steek even het puntje van mijn tong tussen mijn vochtige lippen door richting Rebecca. ‘Ik vind het ongelooflijk wat jullie met elkaar presteren en en hoe hard jullie werken’, begint opa. Door de rechtstreekse verkoop komt er ook best wat geld binnen. Ik ben accountant geweest en heb daarbij ook te maken gehad met agrariërs en hun specifieke bedrijfsvoering. Nou heb ik jullie boekhouding niet gezien en dat zou ik ook niet willen want jullie hebben al een boekhouder, maar uit wat ik gezien en gehoord heb kan ik wel zeggen wat mij opvalt. Het meeste wordt verdiend aan arbeidsintensieve producten. Er is flink geïnvesteerd in de geitenboerderij maar de melk levert niet veel op. Als het omgekeerde het geval geweest zou zijn, dan zouden jullie een bedrijfseconomisch probleem hebben. Het is een gezond bedrijf en ik weet dat er geen kleine boerderijen zijn waar het inkomen in verhouding staat tot de hoeveelheid werk maar ik denk wel dat hier meer winst uit te halen valt. De boerderij van Rintske staat er een stuk minder florissant voor. Ik heb begrepen dat er schulden zijn die eigenlijk niet afgelost kunnen worden en dat er ook geen echte bereidheid is om zich in te passen in het bestemmingsplan waardoor er subsidies ongebruikt blijven liggen. Het aanbod van Staatsbosbeheer om de familie uit te kopen is onaantrekkelijk. De familie is dan wel verlost van de schuldenlast maar er blijft te weinig over om iets nieuw te beginnen of wat dan ook. Er is een patstelling die doorbroken zou kunnen worden door een bod dat wel aantrekkelijk is om op in te gaan. Als dat inderdaad zo is en jullie zouden dat ook willen, dan zou ik met Rintske’s vader kunnen gaan praten en kijken of we eruit komen.’ Rebecca loopt naar het andere huisje en komt terug met drankjes en hapjes. ‘Dus als dat allemaal zo zou gaan, dan wordt u de nieuwe eigenaar?’, vroeg Bente. ‘Nee’, zegt opa. ‘Als het zover zou komen zou een vereniging of coöperatie die jullie oprichten meer voor de hand liggen. Ik wil dat proces wel begeleiden maar er niet in participeren. Jeltske heeft me verteld dat jij erover dacht om een sociaal-maatschappelijke studie te doen en dat zou mooi inpassen in de ideeën van een zorgboerderij.’ Rebecca, die Bente kent van hun gezamenlijke pafje zoals ze hun dzjointsjessesys noemt, zegt: ‘Je moet begrijpen dat opa mogelijkheden noemt, jij bent een vrij man die zijn eigen keuzes maakt en als het allemaal inderdaad zo zou gaan dan heb je er een keuzemogelijkheid bij. Het is de wijze van spreken van opa dat het lijkt alsof hij het wel even zal bedisselen. Dat is niet zo, hij heeft geld waarmee hij goede dingen wil doen. Dat geld is hem door treurige omstandigheden ten deel gevallen en hij wil er goed mee doen. Dankzij hem krijgt mijn arme tante Rachel een maandelijkse toelage waardoor haar leven minder moeilijk wordt.’ ‘Wat denkt ús Jeltske?’ ‘Ik denk dat de Tynjetaler tsiis voortreffelijk combineert met deze wijn en onze eigen frambozenbrouwsels en dat we onze campinggasten straks nog beter kunnen bedienen maar ik weet het even niet. Ik zie jou en Eefke, Bente en Lukas kunnen ook zomaar uit het vakantiehuisje komen, zelf zit ik hier samen met mijn roos van Jericho en haar opa is op bezoek en schetst ons een mogelijk perspectief waarvan we nooit hadden kunnen dromen. Amke en Fenna hebben trouwplannen en als Djurre zijn medicatie niet vergeet, is hij ook op zijn eigen wijze goed bezig. Feike en Bente zorgen voor ús beppe, de anderen zijn ook zoveel mogelijk bij haar, maar waar is heit, bekommert hij zich niet om zijn mem? Ik denk dat we ons allemaal moeten afvragen: wat zou ik willen, waar ben ik goed in en waar ben ik nu mee bezig. Ik denk dat een hbo-diploma wel belangrijk is maar je kunt zo’n studie ook later doen, en ik ben superbenieuwd naar de mening van Lukas die straks net zo goed opgeleid en gekwalificeerd is als de de hoge heren van Staatsbosbeheer.’ ‘Dat jout stof ta tinken’, zegt Eefke terwijl hij Rintske aankijkt. ‘Laten we danken’, zeg ik. Us Heit yn de himel, lit Jo namme hillige wurde… Achter mijn ogen wordt het licht. In het witte licht een glans helderder dan op klaarlichte dag, een zekerheid van geluk, haast te groot… Want Jowes is it keninkryk en de kreft en de hearlikheid oant yn ivichheid. De telefoon van Bente brengt me terug in het hier en nu. ‘Ús beppe wacht op ons’, zucht Bente. ‘Wij ruimen het hier wel op’, zei Rebecca’s oma. Het vogelgekwetter versterft in de donker wordende duisternis. We lopen stevig door, mijn rechterarm om Rintske, haar rechterarm om Eefke, haar linkerarm om mijn middel, Rebecca aan mijn andere kant, haar armen om mij en Bente. Ik begrijp waarom Rebecca en Bente zo goed met elkaar kunnen opschieten. Lukas en ik voelden elkaar ook aan. – Feike houdt de hand van ús beppe vast. Aan de andere kant zitten Djurre, Amke en Fenna. Ik vraag me niet af waar heit is. Feike bet beppes mond met een vochtig washandje. Een voor een pakken we beppe’s hand en kussen haar voorhoofd. Niks geen gerochel en gegorgel, geen ijzingwekkende geluiden zoals bij ús mem. Beppes lippen trillen in een zwakke glimlach. Feike drukt zich tegen Eefke aan. Hij duwt haar niet van zich af, zoals toen. ‘Lit jo wil dien wurde op ierde likegoed as yn’e himel’, prevel ik. Beppes laatste levensles is een les in waardig sterven. Beppe kijkt voor de laatste keer om zich heen. Haar laatste zucht is een zucht van verlichting, we houden onze adem in. Het is doodstil in de kamer. Een zachte snik van Feike. Ik pak haar hand en fluister: zullen we ús beppes ogen sluiten Feike, ús beppe heeft het gezien. Voorzichtig sluit ik ús beppes oog en met trillende hand sluit Feike haar andere oog en legt beppes handen mooi neer: ‘Slaap zacht, ús beppe, slaap zacht’. De minske is ommers op reis nei syn ivich hûs en roukleiers geane al yn ’e strjitten om; ear’t de sulveren koarde knapt en de gouden oaljehâlder brekt, de krûk by de welle oan diggels barst en it skeprêd by de put stikken giet; dan, as it stof ta de ierde keart, sa’t it west hat, en de geast ta God keart, dy’t him jûn hat… We sluiten de gordijnen en Feike steekt een kaars aan. Ze gaat naast ús beppe zitten, vouwt haar handen en buigt haar hoofd. Fenna is met Djurre en Feike bij beppe gebleven. Amke, Bente, Eefke en ik overleggen. Morgenochtend zal Bente tante Aukje, de dokter en de dominee bellen. Rintske blijft bij Eefke in mijn oude kamertje slapen en heit slaapt zijn roes uit. Ik loop naar boven, er heerst een verdrietige en vredige rust. Ik vertel dat morgen de dominee en de dokter komen. Het is warm in de kamer. Ik ga weer naar beneden en overleg met Bente. Ik bel met het boswachtershuis en leg de situatie uit. Een halfuurtje later draait de jeep van de boswachterij het erf op. Reina en Ymke nemen afscheid van ús beppe en daarna sjouwen Amke en Djurre de mobiele airco die Ymke had meegenomen de trap op. Reina, Bente, Fenna en Feike wassen ús beppe en Feike zoekt haar zondagse kleren uit. Het bed wordt verschoond en voorzichtig en liefdevol leggen Reina en Feike ús beppe weer terug op het schone witte laken. Feike legt haar armen mooi en gaat weer naast haar zitten. Ik zie haar gevouwen handen en gebogen hoofd in het flakkerende kaarslicht en de airco doet zijn zoemende werk. ‘Hâld dy mar goed Feike’, zegt Reina. ’t Is na middernacht. Het is een uitzonderlijk warme lentenacht. ‘Ik heb geen zin om te gaan hollen nu Rebecca, zullen we even gaan zwemmen? Mijn lijf wil bewegen. We lopen naar de poel. De bewolking houdt de warmte vast en verzwakt het schijnsel van de maan. We kleden ons uit, het water is nog koud. We zwemmen rondjes en zo af en toe breek ik uit met een sprintje om de spankracht van mijn lijf te voelen. We pakken onze kleren en in een drafje lopen we naar de boerderij. Als speelse kinderen spuiten we elkaar schoon. Het doet me goed. We drogen elkaar af en trekken onze kleren aan en lopen zonder veel te zeggen, dicht tegen elkaar aan, terug naar ons huisje. We gaan meteen naar bed. Ik sla mijn armen om Rebecca heen en druk haar tegen me aan. Uitgeput en uitgevloerd, ik voel Rebecca’s liefkozende handen, ruik haar zwoelzuidelijke geur en nestel me in haar lijf. Er is droefheid, de vertrouwd klinkende woorden komen weer op. Een mens gaat naar zijn eeuwig huis, een klaagzang vult de straat wanneer de adem van het leven weer naar God gaat, die het leven heeft gegeven. Ik voel Rebecca’s mond tegen mijn wang en hoor haar ademhaling. Ik sla de laatste bladzijde van het boek Prediker om en het mooiste lied, het Lied der liederen zingt me tegemoet. Mijn lief ligt tussen mijn borsten als een bundeltje mirre. Ik droom weg in de bedwelmende woestijn van mijn roos van Jericho. Brûn ferbaarnd bin ik, mar dochs moai, dochters fan Jeruzalem, as de tinten fan Kedar, as de tintkleden fan Sjalma. Sjoch der gjin niget oan, dat ik donker bin, dat de sinne my ferbaarnd hat. Us memme soannen wienen wreed oer my, se twongen my op ’e wyngerds te passen, mar myn eigen wyngerd haw ik net op past. O, wat bisto moai, myn leafste, hearlik moai en it grien is ús rêstbêd, seders binne de balken fan ús hûs, sypressen binne de spanten. Ik bin in titelroas fan Sjaron, in leelje út ’e lichten. Aanst nimt myn leafste it wurd en seit: ‘Oerein myn freondinne, kom dochs, myn moaiste. De winter is ommers foarby, it reinen is oer, it is dien. De blommen komme foar ’t ljocht yn it lân en it is wer sjongerstiid, it koeren fan ’e toartels is wer te hearren yn it lân. De figebeam lit syn iere fruchten tine, de bloeiende wynranken rûke swiet. Oerein, myn freondinne, kom dochs, myn leafste. Myn do yn ’e rotskleauwen, yn ’e skûlhernen fan ’e kliffen, lit my sjen hoesto der útsjochst, lit my dyn stimme hearre, want swiet is dyn lûd en moai is dyn foarkommen. Ik beswar jimme, fammen fan Jeruzalem, by de gazellen of reeën fan it fjild: – Fjurje de leafde net oan en meitsje har net wekker, ear’t se der nocht oan hat. Wat komt dêr út ’e woestine wei as kolommen fan reek, yn wolken fan mirre en wijreek, en krûderijen fan ’e keapman? Dyn lippen binne in read lint en dyn mûlwurk is leaflik. Dyn sliepen skine troch dyn wale as skiven fan in granaatappel. Zoete dromen ontwaken in de armen van mijn woestijnroos.

Leave a Comment